Het was de eerste zondagmiddag van de zomertijd en donkere wolken en een straffe wind voorspelden een onstuimige avond. Van een afstandje keek ik naar het kleine dampende café. De feestmuziek dreunde door de Dorpsstraat en ik bedacht me dat zogenaamde badgasten daar waarschijnlijk wel door afgeschrikt zouden worden, die harlekijns zonder belletjes die in tegenstelling tot vroeger inmiddels 365 dagen per jaar met hun honden en kinderen het eiland bevolkten. Toch aarzelde ik. Het was nog vroeg en eigenlijk wilde ik even rustig nadenken over alle indrukken die ik in een paar dagen tijd alweer had opgedaan tijdens mijn eindeloze en soms riskante patrouilles door de natuur.
Misschien was het de warme herinnering aan die winterse eerste maandag van het jaar. In het uitgestorven dorp was dit café die dag als enige geopend en de kastelein had zich met een ferme maar welkome handdruk aan mij voorgesteld, net als zijn vriendin, die mij bovendien later vroeg op haar te stemmen in het kader van een missverkiezing, terwijl ze steeds dichter bij me kwam staan en het buiten begon te sneeuwen. Of misschien was het dat merkwaardige korte gesprek dat ik aanknoopte met de enige andere gasten: een luidruchtig drinkende groep jonge voetbalscheidsrechters die voor een trainingskamp op het eiland verbleef. Ze weigerden – ondanks hun identieke KNVB-jassen met sponsorlogo - te zeggen wie ze waren en nog voor ik goed een wel aan een discussie had kunnen beginnen vertrokken ze.
Wat het ook was dat mij op dat moment bezielde in die beginnende maartse bui aan de overkant van de straat, ik liep in de richting van de beslagen pui van het feestende café, trok de deur open en stapte naar binnen. Ergens vermoedde ik in een voortgezette derde helft van de plaatselijke voetbalclub te belanden maar mijn bril was onmiddellijk volledig beslagen geraakt. Toen de condens optrok was het eerste dat ik zag de uitgestoken hand van de kastelein en achter hem zijn glimlachende vriendin. Ik bestelde een bier, hees me op een kruk en begon zo onopvallend mogelijk de omgeving in mij op te nemen.
De ballonnen lieten er geen misverstand over bestaan: hier werd iemands dertigste verjaardag gevierd. Het stralende middelpunt was een lange, wat gezette en vrolijke jongeman met een frisse donkerblonde kuif. Vrijwel zijn hele entourage bleek trouwens te bestaan uit opvallend lange mensen, gezellige Bourgondiërs bovendien en liefhebbers van Nederlandstalige feestnummers. Voor de zekerheid vroeg ik aan de barman of dit wellicht een besloten feest betrof, maar dat bleek niet het geval, ik mocht gerust blijven zitten en dus bestelde ik nog maar een biertje. Terwijl de jarige nog wat laatste onbestemde cadeaus in ontvangst nam kwam ik tot de onvermijdelijke conclusie dat ik de enige gast in dit café was die niet bij het feest hoorde. Wat ik toen nog niet wist was dat het niet lang meer zou duren alvorens ik ongevraagd bij de festiviteiten zou worden betrokken.
Zonder al te veel aansporingen van zijn vrienden nam de jarige op zeker moment zelf de microfoon ter hand. Hij bleek alle nummers en dansjes van K3 uit zijn hoofd te kennen, over een alleraardigste stem te beschikken en heel goed Samson van Samson & Gert na te kunnen doen. Toen in een nummer een klein personage bezongen werd vestigde de kersverse dertiger met een veelbetekenend hoofdgebaar de aandacht op mij. Zijn publiek lachte en vanuit de hoek werd er door een man met een doos Flügel naar me geknipoogd. Een licht ongemak maakte zich van mij meester. De man met de doos Flügel was namelijk zojuist begonnen aan het uitdelen van de kleine flesjes en bewoog zich slalommend langs de aanwezigen in mijn richting. Daar stond hij al voor mijn neus. Hij zette de doos op de bar, draaide het dopje van een flesje, legde zijn hand op mijn voorhoofd en duwde in een beweging mijn hoofd naar achter en zette het flesje aan mijn mond. ‘Slikken, kerel!’ was het enige dat hij zei voordat hij weer naar zijn hoek vertrok.
Van verbijstering raakte ik even in een andere dimensie van tijd en ruimte. Het gelach en de muziek hoorde ik nog vaag op afstand en voor mijn geestesoog flitste in een kleurrijke flikkering van licht de gezichten van allerlei scheidsrechters langs: Ignace van Swieten, John Blankenstein, Danny Makkelie. En daar was ook ineens Paul de Leeuw die zich met een smachtend ‘Vlieg met me mee naar de regenboog-rainbow’ tot mij richtte. Ik zweefde over het eiland, dat een bannelingenoord voor homoseksuelen bleek met naaktstranden, duinorgies en een gaysauna in de Parnassiastraat. Want Sodom en Gomorra hadden geen eigen stoombootonderneming nodig om het Marsdiep over te steken, iets waar iemand als Jan Aye zich overigens in de 16e eeuw al terdege van bewust was.
Ik schrok plotseling op toen iemand me aansprak. Het was het feestvarken. ‘Je hebt wel ballen dat je bent blijven zitten,’ zei hij. En hoewel hij het ongetwijfeld als compliment bedoelde was ik na alle gebeurtenissen niet blij dat nu mijn ballen onderwerp van gesprek werden. Eigenlijk wilde ik ook wel weg, maar ik wist niet hoe. Daarom besloot ik het over een human interest boeg te gooien en stelde me voor. Hij bleek als animator op een vakantiepark te werken en ik bedacht dat dat in ieder geval zijn repertoire verklaarde. Ik vroeg of Duitse kinderen ook bekend zijn met K3 en Samson & Gert maar door de harde muziek verstond ik niet wat hij antwoordde. Wat ik wel verstond was dat ik net de drag queen gemist had die zijn verjaardagsfeest was komen opluisteren en ongevraagd duwde hij mij de foto’s onder mijn neus. ‘Of vind je dit een beetje teveel van het goede?’ vroeg hij quasi bezorgd. Ik zei dat ik in Nijmegen woon en dat dit soort dingen daar de normaalste zaak van de wereld zijn. Om mijn ruimdenkendheid extra kracht bij te zetten stond ik op het punt te gaan vertellen dat ik ooit een rondleiding bij Chaps Leather Bar in Nijmegen heb gehad maar om misverstanden te voorkomen zag ik daar toch maar van af. In plaats daarvan maakte ik me met een smoes uit de voeten: ik moest de schapen melken. Op de parkeerplaats van de supermarkt stond de vluchtauto al met draaiende motor in de startblokken.
Een dag later ontving ik via social media meerdere uitnodigingen voor ‘vrijblijvende’ kopjes koffie.