Terug naar hoofdinhoud
 
De bosrukker

De bosrukker

De bosrukker


20 mei 2026
Coronalife

Als je op het Turfveld de moderne auto’s wegdenkt kun je je moeiteloos in het verleden wanen. Houten picknicktafels, formica meubilair en met een beetje fantasie zie je zo de parasols van Coca-Cola en Marlboro nog staan op een broeierige zomermiddag ergens in de jaren tachtig. Een tijdloze pleisterplaats waar het permanent naar frituurvet ruikt. Nu echter was het de maandagmorgen na de voorjaarsvakantie en ik probeerde met een plastic snackvorkje de dikke korst van een punt appelgebak in stukken te zagen. Blijkbaar zou het invoeren van roestvrijstalen gebaksvorkjes hier een onaanvaardbare breuk met het verleden betekenen dus ik deed het er maar mee.

Ik was hier dan ook niet om het bedrijf te recenseren maar om even verderop mijn geluk als vogelspotter te beproeven. Nu de vakantie voorbij was hoopte ik op de rust die nodig was voor de waarneming van enkele zeldzaamheden. Onlangs waren hier bijvoorbeeld niet alleen de watersnip maar zelfs ook de blauwvleugeltaling waargenomen. Alle reden dus om me weer eens in camouflage te hullen en de verrekijker om te hangen. Het was fris, droog en af en toe liet het zonnetje zich zien. De zangvogels zorgden voor een ware voorjaarskakafonie. 

Maar zag ik dat nou goed? Aan het eind van het bospad dook uit de struiken een menselijk silhouet op. Naakt, maar met zwarte laarzen. Aarzelend keek ik door mijn verrekijker en precies op dat moment zag ik hoe de man een metalen gebaksvorkje in de pisbuis van zijn gezwollen lid schoof. In zijn andere hand nog een stuk of twintig van die vorkjes. Ik keek om me heen, op een bepaalde manier beschaamd. Was ik ook nu weer niet die ranzige voyeur die ik thuis op mijn balkon ook was als ik op zonnige dagen naar de in het park zonnende studentes stond te loeren met een druppel kwijl in mijn mondhoek? Of die keer dat de verwarmingsmonteur me kwam wijzen op de flat aan de overkant waar een jongedame naakt door haar huis liep en waar we toen samen een kwartier zwijgend naar hadden staan kijken tot ze zich ging aankleden? 

Nee, dit was anders. Dit was schennis van de openbare eerbaarheid. Een zedendelict. En ik droeg een uniform, dus moest ik eigenlijk niet ingrijpen? Maar wat kon ik doen zonder vieze handen te krijgen? En wat was dat trouwens toch met naaktloperij op dit eiland? Ik dacht aan Jan Wolkers die ooit met zijn 21 jaar jongere verovering naakt door de Eierlandse duinen paradeerde en er nog foto’s van liet maken ook. Er werd schande van gesproken. Een golf van jaloezie trok door mijn lichaam terwijl mijn gedachten afdwaalden naar alle leuke meisjes die ik op Texel al achter kassa’s en in de horeca had gezien. Snel keek ik weer door mijn kijker. Daar verdween net een derde vorkje in de pisbuis en ik vroeg me af of ze bij de polikliniek urologie in Den Helder vaker dit soort dingen tegenkwamen, want ik ging er inmiddels vanuit dat dit soort handelingen niet eindeloos zonder letsel verricht konden blijven worden.  

Ik besloot de man tegen zichzelf in bescherming te nemen en riep: ‘Past u een beetje op dat u zich niet bezeert meneer?’ Hij keek op, eerst verschrikt, maar vervolgens kwam hij langzaam in mijn richting lopen, de hand met vorkjes dreigend in de lucht. Dat had ik weer. Pas nu viel me op dat hij zeker twee koppen groter was dan ik en ik sidderde bij de woeste geilheid in zijn ogen. Voorzichtig begon ik achteruit te lopen, mijn blik niet van hem afwendend. Het geluid van het bos leek te verstommen. Hielden de vogels hun adem in? Zweefden de aaseters al boven het bospad, klaar om zich tegoed te doen aan mijn onteerde restanten? 

Een boomwortel… en daar lag ik. Als een donkere schaduw boog mijn belager zich over me heen. De vorkjes en zijn kloppende paars aangelopen lid in de aanslag. Ik rook zijn penetrante lichaamslucht vermengd met alcohol, zag zijn bloeddoorlopen ogen en tragische lelijkheid. In een impuls schopte ik met mijn rechter been omhoog. Hij kermde het uit terwijl de metalen veterogen van mijn schoenen vasthaakten in zijn bruingrijze schaamhaar, wat iets weg had van een ruiende muskusrat. Toen ik mijn voet terugtrok viel hij schreeuwend bovenop me. De geur was niet te harden. Kokhalzend hapte ik naar adem. Ik dacht aan de confrontatie met een Oessoeribeer ooit tijdens een expeditie in Zuidoost-Rusland die ik ternauwernood overleefde dankzij de schotvaardigheid van de inheemse jager die onze gids was. Hier in de Dennen was echter geen inheemse jager dus greep ik een paar gebaksvorkjes en stak die in zijn linkeroog. Het bloed spoot alle kanten op en met moeite wurmde ik me onder het zware, stinkende lijf vandaan. Terwijl hij bulderend van de pijn lag te kronkelen in een plas trapte ik met mijn rechtervoet de vorkjes nog wat verder zijn pisbuis in. Hijgend zag ik toe hoe hij het bewustzijn verloor en zijn schaamhaar langzaam dieprood kleurde. In de verte meende ik een politiesirene te horen en maakte me snel uit de voeten.  

Pas toen ’s avonds in het café een mopshond nieuwsgierig aan mijn rechtervoet kwam snuffelen viel me de pluk schaamhaar aan mijn schoen op. Hij liet het zich goed smaken. 

     Coronalife
20 mei 2026
Meer Coronalife

12 april 2026