Terug naar hoofdinhoud
 
Tegelen

Tegelen

Tegelen


10 juli 2026
Coronalife

Het was een zonnige maandagmiddag en ik was zojuist in Tegelen uit de Maaslijn gestapt. Komende vanuit het zuiden weliswaar want zoals vrijwel altijd was er op dit vervloekte traject een langdurige verstoring. In zijn lijvige en unheimische roman ‘De Boom’ laat Govert Derix om de zoveel pagina’s een suïcide plaatsvinden op deze spoorlijn maar dit keer was er iets anders aan de hand. Technische problemen zorgen hier namelijk al jaren voor het meeste oponthoud en daarom was ProRail de lijn nu aan het renoveren en zowaar zelfs elektrificeren. Vanzelfsprekend zorgde dit voor: veel vertraging. Ik bedacht me dat de meeste forensen die afhankelijk zijn van deze boemeltrein tussen Nijmegen en Roermond er inmiddels wel een keer uit pure wanhoop vóór in plaats in gestapt zouden zijn en zag al een moderne, luxe maar lege elektrische trein door Noord-Limburg glijden. Zou Derix dat misschien bedoeld hebben?

‘Kruisig Mij’. Die merkwaardige oproep schreeuwde me vanaf posters en vanuit abri’s tegemoet terwijl ik in de richting van de Calvariestraat liep. In sommige auto’s hing de boodschap zelfs aan de achteruitkijkspiegel. Verscholen tussen de bomen en met hoge hekken afgegrendeld bespeurde ik een soort openluchttheater waar blijkbaar gedurende de hele zomer – en alleen op zondag - de vijfjaarlijkse Passiespelen plaatsvonden. Ik veinsde belangstelling voor de afgesloten poort maar zocht in werkelijkheid een plek om wild te plassen want zoals vrijwel altijd waren op de Maaslijn ook de toiletten defect. Bevreesd voor de deurbelcamera’s in mijn rug besloot echter ik door te lopen en sloeg rechtsaf een lange wat oplopende straat in.

In een rij arbeiderswoningen uit de jaren vijftig sprong het gevelbord van Yvonne in het oog: ‘hypnotherapeut en hondenmasseuse’. Ik vroeg me af of ze beide bezigheden wel eens per ongeluk door elkaar haalde en of een onverwacht happy-end een meerprijs met zich mee zou brengen en voor wie dan precies. Omdat ik ook hier een deurbelcamera vermoedde besloot ik mijn vragen hardop te stellen terwijl ik het bord fotografeerde. Licht geschrokken van mijn eigen vrijpostigheid vervolgde ik snel mijn weg. De cafetaria verderop was nog gesloten en vanaf daar ging de bebouwing over in lage vrijstaande huizen in jaren zeventig stijl. Aan het einde van de straat werd duidelijk dat ik in de plaatselijke villawijk was gearriveerd. Naast een beek die de Tegelense Broeklossing bleek te heten deed ik wat al een tijdje in de planning maar ook nog in de broek zat.

Een paar minuten later stond ik opgelucht voor Château Holtmühle. Achter in de historische tuin scharrelden een paar boomers en een deel van de parkeerplaats was met lint afgezet. Verderop stond een bankje bij een verwaarloosd kunstwerk van Piet Killaars. Ik las de tekst: ‘Schepping, vruchtbaarheid, neergang, licht-leven’. In de troebele kasteelvijver dobberde een groep smoezelige eenden en ganzen. Zittend op het bankje nam ik de omgeving in me op. Alles leek rustig. Gewoon een kwestie van afwachten dus. Plotseling doken achter mij echter twee jongetjes met een zak brood op. Na een paar korsten in het water spoedde het gevogelte zich met veel kabaal naar de waterkant. De jongens lachten en gilden. Hoe snel kan stilte omslaan in chaos? Ik besloot de jongens te vragen of ze misschien een spannende foto van hun moeder hadden. Oudere zus was ook goed. Geschrokken en zonder te antwoorden maakten ze zich uit de voeten. Snel joeg ik de vogels terug de vijver in - waarbij ik een jong vertrapte – en ging weer op het bankje zitten.

De rust keerde terug en precies op dat moment zag ik de hotelmanager de lege parkeerplaats op komen lopen. Hij stak de straat over en vanaf een heuveltje bij een kwekerij overzag hij de situatie. Eerst keek hij naar links, toen op zijn horloge, vervolgens naar rechts en daar zag hij mij. Onmiddellijk stapte hij naar voren zodat hij achter een boom precies buiten mijn blikveld terecht kwam. Snel stond ik op, deed twee stappen naar voren, pakte mijn telefoon, draaide een kwartslag en drukte af. Hij leek te schrikken en stak vlug de straat over terug naar de parkeerplaats. En zo stonden we daar. De hotelmanager naast de ingang en ik in de berm bij de plek die voor de bus gereserveerd was. Die kwam er trouwens net aan. We keken elkaar strak aan. Seconden leken minuten. Er was het geluid van de naderende bus, een vink ratelde zijn zomerlied, bij de kwekerij ronkte in de verte een shovel en verderop verstierf de doodsreutel van een jonge gans. Toen werden onze blikken gescheiden door het rode gevaarte uit Enschede en was de stare down op slag voorbij.

Het werd een drukte van belang. Spelers, trainers, koffers, tassen, liters sportwater; de hele santenkraam werd voor mijn neus uitgeladen en achter de bus hoorde ik de hotelmanager iedere passerende gast kruiperig welkom heten. ‘Wat een lul’, dacht ik maar ik had geen tijd me er verder druk over te maken want naast mij was plotseling een echtpaar zestigers opgedoken. Ze woonden in hetzelfde Zuid-Hollandse vestingstadje waar mijn ex het grootste deel van haar kindertijd had doorgebracht en ze bleken al net zo graag en veel over zichzelf te praten als zij. Meneer was in afwachting van een oproep voor een knieoperatie en mevrouw duwde haar telefoon onder mijn neus om te laten zien met welke spelers ze allemaal al op de foto was geweest. Toen ze was aanbeland bij de foto van haar inmiddels overleden moeder met een oud-trainer werd ik gered door de chauffeur die vroeg of ik de nagelnieuwe bus misschien van binnen wilde bekijken.

Een paar minuten later stapte ik als laatste de bus uit en grijnsde triomfantelijk naar de hotelmanager die nog steeds stond te zweten in de brandende zon. Hij beet woedend op zijn lip toen ik hem spottend en met een zwierige armzwaai een kushandje toewierp en aan de wandeling terug naar het station begon.

Met Rowwen Hèze op de mediaplayer zakte ik ergens tussen Roermond en Weert weg in een onrustige halfslaap. Uit moerassig water rees een comité gestaltes zonder herkenbaar gezicht toornig boven mij uit. ‘Wat is er van je geworden, Jeroen?’ galmde door de muziek in mijn oren heen. ‘Waar sta je in je inner circle? Is het schepping, vruchtbaarheid, neergang of licht-leven? In Tegelen mag je zelf om je kruisiging vragen, Jeroen. Waarom ben je niet gebleven? Is dit dan wat je bij te dragen hebt? Een lullig fotootje voor een liveblog van een krant en wat zielig pseudo-hooligangedrag in een onschuldig dorp op fucking maandag? Hoor je ons Jeroen?! Jeroen?! Jeroeeen!!!’

Trillend en nat van het zweet schrok ik wakker van Jack Poels die in mijn oren brulde. ‘Station Den Bosch, station Den Bosch, station Den Bosch keumt net op tied.’ Op het nippertje haalde ik mijn overstap.

     Coronalife
10 juli 2026
Meer Coronalife

20 mei 2026